| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny
| © Samuel Defourny

Botanisch Instituut ULg

Transformatie van een oude gevel uit zichtbeton naar een gevel uit hergebruikhout

Type
PlaatsingIn situ
Jaar
2018
Uitvoering
G. Moury
Ontwerp
ULIEGE-ARI (Marique Anne-Françoise, Prégardien Michel / collaboration : Bastin Lisette, Brogneaux Thibaut, Laruelle Sébastien, Nguyen Ngoc Luan)
Technique / stabilité
ULIEGE-ARI (Anh Dung Truong)
Opdrachtgever
Université de Liège
Adres
Chemin de la Vallée, 4
4000 Liège
België
50° 34' 44.0148" N, 5° 34' 13.5624" E
Export
PDF

Hergebruikmaterialen en hoeveelheden

Drie types hergebruikmateriaal werden geplaatst bij de renovatie van het plantkundig instituut van de Université de Liège:

1. Hergebruikmaterialen afkomstig van buiten de bouwsite:
- Bekleding van barnwood uit Oost-Europa, verzameld en gedistribueerd in Oostenrijk, doorverkocht in België (Biemar Bois), uitgevoerd door de firma Moury (onderaannemer HD System). Gebruikt voor de plaatsing van een nieuwe gevelbekleding (2.600 m²);
- Planken uit Azobé-hout, afkomstig van oude Nederlandse havendokken, verkocht in België (Biemar bois) voor de aanleg van een buitenterras van 140m²;

2. Hergebruikmaterialen in situ gerecupereerd:
- metalen dakbekleding (400 m²)
- betonplaten 60/60 voor vloeren (120 m²);

3. Herstel van de aanwezige infrastructuur:
- Herstel van een oude ventilatiegroep die 20 jaar eerder werd stilgelegd: Behoud van een ventilatienetwerk van 50.000 m3.

Eveneens kan de beslissing om te investeren in een grondige renovatie van het bestaande gebouwenpark en de bestaande infrastructuur, in plaats van nieuwe gebouwen te plaatsen op een braakliggend terrein, aangestipt worden als hergebruik. 

 

 

Het project

Een tekst van Michel Prégardien en Anne-Françoise Marique

In 2014 stelden de ULiègeen het C.H.U. van Luik, met de strategische en administratieve steun van het GRE-Liège, een ambitieus energie- en erfgoedrenovatieprogramma van elf iconische gebouwen op de Sint Tilman campus voor aan het Europees Energie Efficiëntie Fonds (EEEF). Het EEEF kende deze instanties een subsidie van 1,5 miljoen euro toe met de overeenkomst dat ze minstens 30 miljoen euro zouden investeren in energierenovatie en daarmee het energieverbruik van hun gebouwen met minstens 20% zouden verminderen. De gebouwen die deel uitmaken van dit project werden ontworpen in de jaren '60 en '70, en zijn producten van  de Belgische modernistische beweging (Charles Vandenhove, Roger Bastin, André Jacqmain, ...). Ze hebben een hoge erfgoedwaarde maar een slechte energie-efficiëntie, in het bijzonder op het vlak van warmteverbruik. De belangrijkste uitdaging van het project was dan ook om de energierenovatie van de gebouwen (in het bijzonder de isolatie van buitenaf) te benaderen met de nodige architecturale gevoeligheid ten opzichte van de aanwezige kwaliteiten van de gebouwen. 

Een van deze gebouwen is het Instituut voor Plantkunde, ontworpen door Roger Bastin tussen 1965 en 1970. Het gebouw toont zichzelf als een strenge betonnen monoliet, waarvan de grootste kwaliteit ligt in de spanning tussen de sobere maar strakke geometrie van het gebouw en de textuur van het beton. Deze textuur werd verkregen door een bekisting van dennenhouten planken die hun afdruk achterlieten in het beton: de ruwheid en imperfectie van de textuur contrasteren met de regelmatige gevelopbouw.Dit contrast verwijst bovendien naar de vroegere realisaties op de universiteitscampus, waarbij de dialoog tussen natuur en cultuur een belangrijke thema was.

Omwille van de energie-efficiëntie en vanuit organisatorische overwegingen (het gebouw zou in gebruik blijven) is ervoor gekozen om het gebouw langs de buitenkant te isoleren (30 cm minerale wol op de gevel), en af te werken met een uitwendige schil van hergebruikt hout. De keuze voor hergebruik was niet toevallig. De basis voor die beslissing is te vinden binnen het globale architectuurproject, dat net de specifieke kwaliteiten van een materiaal binnen de context van zijn gebruik wou belichten:
- Textuur: De textuur van het hergebruikte hout, gekenmerkt door grove houtnerven, is het negatief van de textuur van het oorspronkelijke beton. Hierdoor ontstaat er een dialoog tussen de oorspronkelijke textuur (die nog steeds aanwezig is in het gebouw) en de nieuwe gevelbekleding.
- Gebrek aan controle: Tijdens de bouw van het Instituut was de esthetische kwaliteit van het beton bijzonder onvoorspelbaar en onderhevig aan willekeur (sporen van gebreken, kleurverschillen, enz.). Deze complexiteit, het resultaat van de productie ter plaatse, verdween toen het gebouw in het begin van de jaren 2000 werd overschilderd en droeg, net als de textuur, bij aan het brutalistische karakter van het gebouw. Hergebruik van hout maakt het dus mogelijk om opnieuw een materiaal toe te passen waarvan de esthetische aspecten niet volledig onder de controle van de architect vallen.
- De ouderdomswaarde (volgens de Oostenrijkse kunsthistoricus Aloïs Riegl): Het 50-jaar oude gebouw, getekend door het verstrijken van de tijd, draagt een zekere “patine”. De keuze van een hergebruikmateriaal, zelf gepatineerd, gehavend, aangetast… vermijdt dat het gebouw een facelift ondergaat en zorgt ervoor dat  het gebouw zijn ouderdomswaarde behoudt.
- Duurzaamheid: We trachten het begrip “energieduurzaamheid” (nl. het verminderen van het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen) te verbreden met een grondige reflectie over de duurzaamheid van materialen, ten einde de overconsumptie en uitputting van grondstoffen te vermijden. 

Ontwerp

De keuze om te werken met hergebruikmaterialen heeft uiteraard verschillende consequenties gehad voor het architecturale ontwerpproces. We benadrukken graag de volgende punten: 

Inversie van het ontwerpproces. In dergelijke projecten start men vanuit de materialiteit vooraleer men overgaat tot de ontwikkeling van een architecturaal voorstel - dus niet in de omgekeerde richting. Het is net die materialiteit die het architecturale ontwerp bepaalt: het gebrek aan controle erover (verschillende breedtes en diktes, andere uitvoeringen...) brengt ook met zich mee dat men steeds moet nadenken over het project in termen van uitvoering en flexibiliteit op de werf.

Deze manier van ontwerpen is allesbehalve nieuw. Maar aan het begin van de 19e eeuw is de ommekeer gemaakt van de hierboven beschreven methodiek naar een aanpak waarbij de architecturale “tekening” op de eerste plaats kwam, en waarnaar de materialiteit zich diende te plooien. De plaatsing en bewerking van een materiaal terug in rekening brengen, betekent ook terug op zoek gaan naar zijn waardigheid. Daarnaast is het ook een methode om de grote hoeveelheid afval die die bouwwereld genereert te beperken. In het geval van het Instituut voor Plantkunde werd er een gevelontwerp getekend vertrekkende van de specifieke kenmerken van de hergebruikte planken:
- De verticaal-geplaatste gevelbekleding garandeert een goede werking van het materiaal op termijn (snellere afvoer van het regenwater)
- De gevel wordt onderbroken door horizontale latten. Deze geven het geheel meer regelmaat en zorgen er ook voor dat de kopse uiteinden van de heterogene planken niet tegen elkaar moeten worden gemonteerd (wat de uitvoering vereenvoudigde).
- Door de afstanden tussen de horizontale latten te laten variëren werd het mogelijk te werken met ‘heterogene’ elementen zoals bijvoorbeeld productieoverschotten en -afval, die op deze manier ook een plaats hebben gekregen binnen de samenstelling van de gevel.
- De horizontale lijnen die zich aftekenen op de gevel doen denken aan de bekistingssporen van het originele beton.

Aanpassing van het bestek. Het opstellen van het bestek zorgde voor een dubbele moeilijkheid. In de eerste plaats was het noodzakelijk om een manier te vinden waarop een materiaal kon omschreven waarvan de exacte afmetingen ons pas bekend zouden worden op het moment van aankomst op de werf. De uitdaging bestond eruit de juiste balans te vinden tussen enerzijds het opstellen van een heldere omschrijving van de kenmerken van de gezochte materialen (zoals kleur, afmetingen, grootte, etc) en anderzijds het laten van de nodige marges opdat de aannemer een geschikt materiaal op de markt zou kunnen vinden. Daarnaast is de universiteit onderhevig aan de wetgeving inzake overheidsopdrachten waardoor het lastenboek zo “neutraal” mogelijk opgesteld moest worden om eventueel concurrentievoordeel te voorkomen. Bovenop de al moeilijke opdracht kwam dus nog eens de verplichting het materiaal te beschrijven zonder ook maar één technische fiche of kwaliteitsnorm te noemen of bij te voegen. 

Schaal van het project. De plaatsing van 2.600 m² aan hergebruikt hout voor de gevelbekleding had ook specifieke gevolgen voor het ontwerptraject van het project. Zo dienden onder andere de beschikbare voorraden op de hergebruikmarkt zoveel als mogelijk nagegaan te worden, en de esthetische integratie van de materialen met verschillende afkomsten gewaarborgd worden.

Deze verschillende elementen leidden vanzelfsprekend tot een hogere werkdruk ten aanzien van de architect, en een grotere technische en redactionele betrokkenheid bij de ontwikkeling van het project. Dit resulteerde in talrijke bezoeken en onderzoeken (dikwijls in overleg met Rotor), en een steeds groeiende prototypering van de technische details. Deze zorgvuldige voorbereiding was van essentieel belang om de technische haalbaarheid van het project te garanderen en om onaangename verrassingen op de werf te vermijden.

De Bouw

De bouw is steeds een kritiek moment aangezien het theoretisch werk van de architect (ook al is de haalbaarheidsstudie grotendeels gebaseerd op praktische overwegingen) hier geconfronteerd wordt met de gewoontes en rentabiliteitsberekeningen van de aannemers. Verschillende uitdagingen moesten hierbij overwonnen worden:

De scepsis van de aannemer. Een dergelijk project, bovendien ook nog eens op zo’n grote schaal, geeft al snel aanleiding tot bezorgdheid ten aanzien van de duurzaamheid van de materialen, de mening van de gebruikers, de tienjarige aansprakelijkheid, de uitvoeringsvoorwaarden (zowel wat betreft de beschikbare tijd als de financiën van het project)... De aannemer toonde zich in eerste instantie dan ook erg terughoudend, voornamelijk door een gebrek aan kennis en ervaring met hergebruik (zonder zich echter tegen het voorstel te verzetten). Ook hier is het aan de ontwerper om argumenten aan te dragen voor de technische haalbaarheid en de esthetische kwaliteiten van het dossier. Een grondige studie voorafgaand aan het project stelde de aannemer uiteraard al wat gerust. Op de overgrote meerderheid van de opgeworpen vragen was op voorhand geanticipeerd, of ze konden vanuit het vooronderzoek gemakkelijk opgelost worden. Ook cruciaal binnen de discussies die hierop volgden waren de technische kwaliteiten van de werfleiders en hun ervaring.

Flexibiliteit in planning en uitvoering. De grote omvang van het project heeft de aanvoer van materialen op de werf bemoeilijkt. Aangezien er geen voorraad van 2.600m² beschikbaar was op de hergebruikmarkt was het noodzakelijk om de levering op te delen in reeksen van +/- 400m² (met bijkomend alle risico's verbonden aan een onregelmatige levering). Het schema moest meerdere malen worden bijgesteld. De vakkennis van de werfleiders was hierbij een grote troef aangezien het mogelijk was om van een lineaire planning (fase na fase) over te gaan naar een horizontale planning, waarbij verschillende fasen elkaar overlappen. Op deze manier kon de bouwtermijn zoals beschreven in het bestek gegarandeerd worden. 

Het gebrek aan standaardisatie. Het ontbreken van normen en technische documentatie over hergebruikmaterialen bemoeilijkt de toepassing ervan. Daarom is het begrip van de bouwheer, maar ook het gezond verstand van de architect en de aannemer (die steeds in staat moet zijn om de geschiktheid van een materiaal voor gebruik te beoordelen ondanks het ontbreken van technische normen) noodzakelijk voor het goede verloop van het project. Dit vereist echter aanvullende voorzorgsmaatregelen om iedereen te kunnen garanderen geen verantwoordelijk op te nemen voorbij de limieten van zijn of haar vakgebied. Een open dialoog tussen alle partijen bleek dan ook de sleutel tot het slagen van het project. 

Het budget. Afgezien van het hergebruik van de ter plaatse herwonnen materialen (wat goedkoper bleek te zijn dan gedacht), was het hergebruik van externe materialen in het algemeen veel duurder dan nieuwe materialen, zowel wat betreft het aanbestedingstraject als de return on investment voor de aannemer na realisatie.
- Offerte. Geconfronteerd met het onbekende neemt men de nodige voorzorgsmaatregelen. De prijs die de aannemer vroeg voor het plaatsen van de gevelbekleding, was bijna 40% duurder dan voor een nieuwe gevelbekleding. Nochtans wordt dit type hout steeds vaker in kleine hoeveelheden aan particulieren verkocht als gevelbekleding. Voor grootschaliger gebruik had de prijs normaal gesproken dus lager moeten zijn, maar door het ontbreken van grote materiaalstromen bleef het schaalvoordeel uit. De markt is nog steeds te klein voor projecten van deze omvang.
- Realisatie. De uiteindelijke kostprijs voor de aannemer bleek voor sommige onderdelen soms hoger te zijn dan initieel geschat. Tijdens de bouwfase deden zich ook nieuwe problemen voor die de rendabiliteit verder beperkten. Zo is het plaatsen van het houten terras werkelijk uitgedraaid op een catastrofe voor de aannemer. Doordat elke plank afzonderlijk moest gemeten en bijgesteld worden, nam de uitvoering twee keer zoveel tijd in beslag als gedacht.

De kwaliteit van het werk. Het is essentieel voor de aannemer om zijn kwaliteitscriteria omtrent uitvoering bij te stellen, en hetzelfde geldt voor de esthetische eisen van de klant. Gewend aan het werken met lasers, moesten de arbeiders zich bijvoorbeeld aanpassen aan het werken met de hand. Door ontwerper en bouwheer moest een zekere tolerantie worden toegestaan ten aanzien van degeometrische perfectie van het resultaat. Het resultaat is een gebouw dat in zekere zin eerder ruw en onafgewerkt oogt. Maar het zijn net deze imperfecties die het levendig maken.

De hoeveelheid werk. Deze dient zoveel mogelijk binnen de perken gehouden te worden. Net zoals de architect wordt ook de aannemer met een verhoogde werklast geconfronteerd, waardoor de rentabiliteit van de werken voor hem de facto afneemt.

Bovendien moet ook vermeld worden dat alle betrokken partijen gedurende de bouw zich vragen hebben gesteld over de werkelijke duurzaamheid het project. De nodige voorzorgsmaatregelen ten aanzien van de houten planken alsook de opwaardering van de gevelbekleding om aan de huidige brandeisen te voldoen, vereisen behandelingen die niet ecologisch verantwoord zijn zoals het gebruik van brandvertragers, insecticiden, fungiciden… Het aanbrengen van dergelijke producten aan het hout kan hergebruik in de toekomst in de weg staan.  

Daarnaast riep de herkomst van de gevelbekleding bijkomende vragen op. Enerzijds is het niet altijd even gemakkelijk na te te gaan of het nu werkelijk over hergebruikmateriaal gaat of nieuw materiaal dat behandeld is om ouder te lijken. Anderzijds is het haast onmogelijk om de exacte afkomst van bepaalde materialen te weten te komen, laat staan onder welke condities ze “ontgonnen” zijn. Wie weet was het barnwood afkomstig van boerderijen die nog steeds in gebruik zijn, maar waar de boer om financiële redenen overging tot ontmanteling van zijn gevel (wederverkoop van gedemonteerd hout en vervanging door metalen platen), waardoor het traditionele rurale landschap wordt aangetast. 

Succes

Ondanks de complexiteit van het project en de uitdagingen en moeilijkheden die zich hebben voorgedaan, is het project voltooid geraakt, en kan er gezegd worden dat het op verschillende vlakken een succes was.

De aannemer en de werfleiders, in eerste instantie sceptisch, speelden naargelang het project vorderde een steeds belangrijkere rol in de totstandkoming ervan, om uiteindelijk een resultaat te bereiken boven ieders verwachting. De bijzondere aard van de werken liet toe aan iedereen om zijn of haar technische capaciteiten ten volle te benutten. Het feit dat de aannemer ook zelf met het project naar buiten komt bevestigt dat het bedrijf trots is op hun werk.

De gebruikers dan: de aankomst van de eerste houten planken leidde hier en daar weliswaar tot wat twijfels, maar naargelang het project vorderde maakte deze twijfels al snel plaats voor enthousiasme. Desondanks de kleine imperfecties en de ruwe uitstraling, was de ontvangst is in het algemeen zeer positief. 

In het algemeen kan het project dus zeker als een succes beschouwd worden. Het bewijs hiervan is de werkgroep die onlangs door enkele gebruikers is opgericht, en die moet instaan voor een evenwaardige renovatie van het interieur van het gebouw.

Binnen het specifieke kader van dit project bestaat de grootste architecturale meerwaarde ongetwijfeld uit het levendige karakter van het hout (verschillende tinten, laat meerdere lezingen toe op kleine en grote schaal, de graduele schakeringen van het grijzende materiaal) dat het gebouw een passende uitstraling verleent (in analogie met originele materialiteit). Het materiaal draagt littekens, bevat imperfecties, drukt tijd en ouderdom uit. Het verandert continu, en bezit een onvolmaakt karakter, ver verwijderd van de flitsende stereotypen van hedendaagse gebouwen. Dit geeft het gebouw een menselijkheid waar ieder zich mee kan identificeren.